Voor de laatste aflevering van de NEC-125-jaar-interviewserie zochten we een van de belangrijkste drijvende krachten achter de clubschermen op in zijn eigen domein: materiaalman Dave Kelders, regelaar met een rood-groen-zwart hart.
Terwijl het zoemende geluid van twee draaiende wasmachines de wasruimte vult, vouwt Dave Kelders (47) in sneltreinvaart trainingsshirtjes en -broekjes op, klaar voor transport richting open kast waar alle spelers hun eigen kledingstapeltje hebben. Dat volcontinu wassen (en drogen) is geen overbodige luxe, vertelt de Nijmeegse NEC-materiaalman. “Onze spelers trainen vaak twee keer per dag, dus hebben ze minimaal twee setjes kleding nodig. Omdat er altijd iets kan gebeuren, zorg ik voor drie setjes. Ik laat niks aan het toeval over. Alles moet piekfijn zijn geregeld.”
Hoe ben je eigenlijk bij NEC terechtgekomen?
“In 2009 heb ik me als vrijwilliger aangemeld bij de Voetbal Academie. NEC is mijn club en het leek me leuk om hier wat uurtjes te spenderen. Als leider van de ‘onder de 13’ zorgde ik dat alles rondom de wedstrijd werd geregeld, zoals de ballen en de kleding. Op een gegeven moment zochten ze voor de ‘onder de 21’ een videoanalist. Ik ben wel handig met beelden, dus ik reageerde, en werd gekozen. Een half jaartje later was Wim Rip, videoanalist van het eerste, op zoek naar versterking. Of dat iets voor mij was? Ongeveer anderhalf jaar heb ik beide functies gecombineerd.”
En toen werd je … materiaalman?
“Klopt! Door mijn werk leerden steeds meer mensen me kennen. Toen Edie van Wees, een van de twee materiaalmannen stopte, vroegen ze me of ik hem wilde vervangen. Daar moest ik even over nadenken, want ik had een goede baan als planner-werkvoorbereider. Uiteindelijk heb ik mijn NEC-hart laten spreken en van mijn hobby mijn beroep gemaakt. Het eerste jaar werkte ik samen met Herman Jansen. Hij leerde me de kneepjes van het vak en was bovendien een fijne man om mee samen te werken. Stapsgewijs nam ik zijn taken over, ook door de zwaarte van het werk. Zeker bij uitwedstrijden is het sjouwen geblazen. Sommige kledingkisten wegen zo’n 60 kilo.”
Wat zijn je belangrijkste taken?
“Naast het wassen en regelen van alle kleding zorg ik dat ballen, pylonen, hesjes en andere materialen zijn geregeld. Bij trainingen ben ik er daarom altijd bij. Of ik weleens meedoe met een rondo? Haha! Nee. Ik kan een beetje voetballen, maar laat liever niet met me dollen. Meestal arriveer ik rond 7 uur bij de club. Dan start ik op mijn gemak met de was, voordat de spelers komen. Spelen we op zondag, dan werk ik op zaterdag. Is de wedstrijd op zaterdag, dan staat er op zondag een uitlooptraining op het programma en doe ik de was voor maandag.”
Tijdens wedstrijden zit je ook op de spelersbank: waarom?
“Dat is puur praktisch. In een wedstrijd kan er altijd iets gebeuren, waarbij een speler snel van shirtje moet wisselen. Sta ik ergens achteraf of zie ik niet goed wat er gebeurt, dan duurt het snel een paar minuten om een vervangend shirtje te regelen. Nu lukt dat binnen 10-15 seconden, zodat een speler meteen weer het veld in kan en we niet met 10 man hoeven te spelen.”
Wat is het allerleukst aan je werk?
“De omgang met de staf en de spelers. De jongens houden van een geintje, net als ik. Voetbalhumor is nooit ver weg. Je verwacht het misschien niet, maar een van de grootste gangmakers is Philippe (Sandler, PM). Maar hoe leuk het contact ook is, ik word niet te familiair met spelers. Toen ik hier begon, kende ik de regels in de voetbalwereld minder goed. Soms dronk ik een biertje in de stad met jongens met wie ik het goed kon vinden, zoals Kevin Conboy en Michael Higdon. Dat doe ik niet meer.”
Waaraan bewaar je de mooiste herinnering?
“Aan het kampioenschap in de KKD in 2015. Van de extreme teleurstelling van de degradatie gingen we naar de absolute euforie van een kampioenschap. We haalden 101 punten, scoorden precies 100 doelpunten. Echt een unicum. Daaraan een bijdrage leveren, voelde heel speciaal. En dat doet het nog steeds. Het voetbalwereldje heeft iets magisch. NEC al helemaal. Dat ik, als fan van de club, hier mag werken, is echt supermooi.”
Tekst: Pieter Matthijssen
Foto: Willem Melssen












